
| Home | Technische Info HVAC | Zwembaden | Gevel en dakreiniging | Poort automatisering | Contact | Pers | Vacatures |
|---|
>33 jaar ingenieurservaring in industriële en huishoudelijke projecten.
Het beste is maar goed genoeg.
GoLanTec energietechniek is een geregistreerd installatiebedrijf.
Controleren en reinigen aardgasbranders GII







Blowtherm GVAF 3CE
PADOVA Italy
Aardgas
Gasklep SIT 830 TANDEM 63AP7060/4



Riello BS1, BS2, BS3, BS4
911 T1, 912T1, 913T1, 914T1
Propaan
Gasklep DUNGS MB-DLE 405 B01 S20







De grote merken branders zijn :
De grote merken gasstraten zijn :
Besluit van de Vlaamse regering betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of de aanmaak van warm verbruikswater
De Vlaamse regering heft op 8 december 2006, het besluit over het onderhoud en het nazicht van stookinstallaties voor de verwarming van gebouwen en de aanmaak van warm verbruikswater definitief goedgekeurd. Hierdoor zullen ondermeer centrale verwarmingsketels ouder dan 15 jaar een eenmalige keuring moeten ondergaan. Op basis daarvan zal de gebruiker eventueel verbeteringen aan het systeem moeten aanbrengen of de ketel moeten vervangen. Dit besluit van de Vlaamse Regering zal het huidige KB van 6 januari 1978 vervangen, dat een onderhoudsplicht oplegt voor verwarmingsinstallaties gevoed met mazout of vaste brandstoffen.
http://vlex.be/vid/stooktoestellen-aanmaak-verbruikswater-29571443
http://navigator.emis.vito.be/milnav-consult/wetgevingServlet?documentType=pdf
Verplichtingen voor centrale verwarmingsinstallaties
|
Verplichtingen |
Stookolie |
Gas |
|
Vegen van de schoorsteen |
Jaarlijks |
Tweejaarlijks |
|
Reiniging ketel/brander met attest |
Jaarlijks |
Tweejaarlijks |
|
Afstellen brander met attest |
Jaarlijks |
Tweejaarlijks |
Reinigen en afstellen gasbranders G3
Laat de werking van de gasbrander met gasstraat en ventilatorbrander controleren door onze erkende professional G3. Laat uw verwarmingsketel onderhouden. Dat is wettelijk verplicht. Voor gasketels volstaat een keer per twee jaar. Een regelmatig onderhoud van uw installatie verhoogt het rendement en uw veiligheid. Volgens het Vlaams besluit van 24/4/2007 is het verplicht om tweejaarlijks uw cv-aardgasketel > 20 kW te laten reinigen en afstellen door een erkend technicus. Het onderhoud van de centrale verwarming gebeurt volgens de voorgeschreven wettelijke normen. Het gedetailleerde brander- en reinigingsattest met GV nummer moet en wordt steeds aan de klant afgegeven.
Te raadplegen LNE lijst gasvormige brandstoffen
Een regelmatige controle van uw cv-ketel is een wettelijke verplichting waar u zelf alle baat bij hebt. Niet alleen bespaart u op uw energiefactuur. U zorgt er ook voor dat uw huis steeds comfortabel warm blijft, zonder risico’s voor uw veiligheid of gezondheid. Daarnaast draagt u ook uw steentje bij aan het milieu en aan het behalen van de Kyoto-normen.
Waarop wordt gekeurd?
Sinds 1 juni 2007 gelden in Vlaanderen nieuwe regels voor het onderhoud en nazicht van centrale verwarmingstoestellen. Die regels vloeien voort uit Europese voorschriften. Ze werden door de Vlaamse Regering vastgelegd.
Normen waaraan uw aardgasbrander moet voldoen:
Een centraal stooktoestel type G3 , gevoed met gasvormige brandstof, wordt geacht in goede staat van werking te zijn als het zo afgesteld is dat:
1) Er geen condensatie optreedt in de schoorsteen, tenzij het ervoor is voorzien;
2) Voldaan is aan de volgende tabel weergegeven eisen voor het gehalte aan koolstofmonoxide (CO) in de rookgassen en het verbrandingsrendement. De metingen moeten worden uitgevoerd wanneer het toestel op bedrijfstemperatuur (60°C) is.
Normen waaraan uw rookgassen in Vlaanderen moeten voldoen: Vlaamse wetgeving van1/10/2019
Parameter (eenheid)
|
Maximale rookindex (Bacharach)
|
Minimaal CO2-gehalte ( %)
|
Maximaal CO-gehalte (mg/kWh)
|
Minimaal Verbrandings rendement Hi( %)
|
Maximaal O2-gehalte ( %)
|
Alle
|
|
|
<150
|
>90
|
|
Geen specificatie van rookgastemperatuur !
Geen specificatie voor minimaal CO2!
Geen specificatie meer voor maximaal O2!
Rendement boven 90%
Enkel 2 waarden : Rendement hi>90% en CO <150 mg/kWh
Afregeling op lambda : λ = 1,19 Luchtovermaat

3) In de schoorsteen steeds voldoende trek heerst voor een vlotte afvoer van de rookgassen, dit betekent een afvoer die in overeenstemming is met de code van goede praktijk (>5 Pa)
4) Het stooklokaal voldoende verlucht is en er voldoende aanvoer is van verbrandingslucht; dit betekent een onderveluchting van 3 cm²/kW. De bovenverluchting is 3 x kleiner = 1cm²/kW

5) De dichtheid van de toevoerleidingen van de gasvormige brandstof altijd verzekerd is.
6) Voor type C: De dichtheid van de rookgasafvoerende delen steeds verzekerd is.
Centrale verwarming op gasvormige brandstof (o.a. aardgas, propaan, butaan) met vermogen > of = 20 kW
Specifiek aan GII (G3):
Een GII brander is zoals een stookoliebrander, maar dan met aardgas.
Dit kan men instellen door de gasdruk te veranderen.
Werkwijze:
Men meet het gasverbruik gedurende 36 seconden.
Men schrijft de stand op van de gasteller: vb 986,650 m³
Men wacht 36 seconden
Men schrijft de stand opnieuw op van de gasteller: vb 986,699 m³
De verbruikte hoeveelheid aardgas is nu : 986,699 – 986,650 = 0,049 m³ gedurende 36 seconden
= 0,049 m³ in 36 sec
= 4,9 m³ in 3600 sec = 1 uur
= 4,9 m³ x 10,76 kW/m³ voor aardgas = 52,72 kW vermogen van de ketel.
G20 aardgas:
Hs = 11,99 kWh/Nm³ of 43,19 MJ/Nm³ warmte (met condensatie)
Hi = 10,76 kWh/Nm³ of 38,737 MJ/Nm³ warmte (zonder condensatie)
G25 aardgas:
Hs = 10,48 kWh/Nm³ of 37,74 MJ/Nm³ warmte (met condensatie)
Hi = 9,427 kWh/Nm³ of 33,938 MJ/Nm³ warmte( zonder condensatie)
Propaan:
Hs = 28,11 kWh/Nm³ of 101,2 MJ/Nm³ warmte
Hi = 26 kWh/Nm³ of 93,6 MJ/Nm³ warmte
Butaan:
Hs = 37,14 kWh/Nm³ of 133,7 MJ/Nm³ warmte
Hi = 34,34 kWh/Nm³ of 123,6 MJ/Nm³ warmte
Stookolie:
1 liter stookolie = 10 kWh/l ;
1 kg stookolie = 11 kWh/kg
Hs = 12,75 kWh/kg of 45,9 MJ/kg warmte (met condensatie)
Hi = 11,94 kWh/kg of 43 MJ/kg warmte (zonder condensatie)
Een veel voorkomend probleem is het overschrijden van de maximale rookgastemperatuur. Er kunnen twee oorzaken zijn :
Afregeling op luchtovermaat: λ = >1,19

De gasstraat omvat een beveiligingssysteem dat de installatie vergrendelt wanneer de gasdruk buiten de grenzen treedt van de normale werkingsdruk van de brander.
Afregelen minimum gasdrukschakelaar
Deze bevindt zich onmiddellijk na de gasdrukregelaar.
De "min" gasdrukpressiostaat verplicht door EN 676, detecteert een onvoldoende gasdruk aan de uitlaat van de gasdrukregelaar. Hij wordt afgesteld op een drukwaarde hoger dan die waaronder de brander niet goed meer kan werken.
De afregeling van de minimum gasdrukschakelaar uitvoeren nadat alle andere branderafstellingen gedaan zijn met de gasdrukschakelaar afgesteld op het begin van de schaal.
Met de brander in werking op maximaal vermogen, de regeldruk verhogen door de daartoe voorziene knop langzaam met de klok mee te draaien tot de veiligheidsstop van de brander in werking treedt. Daarna 20% terugdraaien en het starten van de brander herhalen om de regelmatige werking te controleren.
Als de veiligheidsstop van de brander opnieuw in werking treedt, nogmaals 10% terugdraaien.
Tweede manier van afregelen: om de minimum pressiostaat af te regelen moet men:
Afregelen maximum gasdrukschakelaar
Deze bevindt zich zo dicht mogelijk bij de brander.
De "max" gasdrukpressiostaat schakelt de brander in veiligheid wanneer de gasdruk aan de branderkop hoger is dan de toevoerdruk. De gasdrukschakelaars moeten beantwoorden aan de norm EN1854.
De maximum gasdrukschakelaar instellen nadat alle andere branderafstellingen zijn uitgevoerd, met de maximumgasdrukschakelaar afgesteld op het eind van de schaal.
Terwijl de brander op maximaal vermogen werkt, de schakeldruk van de pressiostaat verminderen door zachtjes en tegen de wijzers in te draaien aan de regelpen, tot de brander in veiligheid gaat en vergrendelt.
Daarna de regelpen met 20% in wijzerzin draaien en de opstart van de brander herhalen.
Als de brander opnieuw vergrendelt, nog met 10% draaien in wijzerzin.
De maximum pressiostaat wordt afgeregeld op 120% van de werkingsdruk.
Dichtheidscontole (verplicht voor Pn > 1200 kW volgens EN676)
Dichtheidscontrole kan op drie manieren gebeuren:
Het contact van de dichtheidcontrole wordt in serie geschakeld met de temperatuurregelaar (thermostaat) en de branderautomaat. De ontsteking van de brander kan slecht plaatsvinden nadat de automatische dichtheidscontrole de dichtheid van de afsluiters aangetoond heeft. Zijn contact moet gesloten zijn.
Met vacuumpomp (-30 mbar)
Dichtheidscontrole met vacuum
Er wordt vacuum getrokken tussen de twee kleppen.
Er zijn twee drukschakelaars.
Met drukpomp (+20 mbar)



De VPS 504 van DUNGS. Deze lekdetectie zal, wanneer de kleppen van het multiblok dicht zijn, door middel van een inwendige compressor lucht in de kamer tussen de twee kleppen pompen. De luchtdruk die zich tussen de twee kamers bevindt, wordt ongeveer 20mbar hoger gebracht dan de druk aan de ingang van de eerste klep. Hierdoor zal indien de eerste klep niet goed afsluit de druk in de kamer zakken doordat de lucht in de richting van de gasleiding zal ontsnappen en indien de tweede klep lekt zal de lucht in de richting van de gasklep ontsnappen. Vervolgens zal de druk tussen de kamers gecontroleerd worden gedurende een 10-tal seconden. Blijft deze druk constant dan zal deze lekdetectie een signaal sturen naar de branderautomaat dat de kleppen niet lekken en dan kan de brander verder opstarten. Deze lekdetectie kan dus gebruikt worden bij een multiblok waarvan de kleppen niet apart worden aangestuurd.
Op de plaats van de VPS 504 lekdetectieapparaat van Dungs op het multiblok bevinden zich 2 meetnippels.
1 De druk tussen de twee kleppen.
2 Ingangsdruk voor de eerste klep ( = dezelfde aansluiting als deze voor de min gasdrukschakelaar).
Met de aanwezige ingangsgasdruk (20 mbar)

Testfase 1:
Tijdens de eerste helft van de voorspoeltijd wordt de sectie tussen de veiligheidsafsluiter en de regelafsluiter op de atmosferische druk gebracht van het branderbed door het kortstondig openen van de regelafsluiter. Indien na het opnieuw sluiten van de regelafsluiter de druk in de tussensectie stijgt dan lekt de veiligheidsafsluiter. De dichtheidscontrole gaat in alarm.
Testfase 2:
Tijdens de tweede helft van de voorspoeltijd wordt de sectie tussen de veiligheidsafsluiter en de regelafsluiter op de druk gebracht van het gas door het kortstondig openen van de veiligheidsafsluiter. Een pressiostaat afgesteld op een iets lagere druk dan de bedrijfsdruk, controleert tijdens deze periode dat de druk niet daalt. Indien de druk tijdens deze periode daalt, betekent dit dat de regelafsluiter niet dicht is. De dichtheidscontrole gaat in alarm.
De pressiostaat wordt afgesteld op de helft van de werkingsdruk van de lijn. = 10 mbar
DUNGS MB-DLE 405 B01 S20
Afregeling


Instellen van de werkdruk
Opgelet : branderdruk te laag (<2 mBar) = CO slecht!!!



REGELEN VAN DE GASDRUKREGELAAR
Stel de drukregelaar in door met een speciale schroevendraaier de schroef te draaien: door hem in de richting van de klok te draaien neemt de druk in de afvoer toe, door hem tegen de richting van de klok in te draaien neemt de druk af.
Wanneer u de gewenste waarde van de nominale druk bereikt, het dekseltje sluiten en de uiteinden van de draad met lood verzegelen met korte doorgaande lus.
Tientoereninstelvijs
Instellen van het werkingsdebiet

Het werkingsdebiet kan worden geregeld door de metalen ring (6 ) in de juiste richting + / – te draaien na het lossen van de niet verzegelde schroef (7).
Instellen van de start-up oplopende druk: oplopen van de werkdruk bij opstart (ramp)


Draai de zwarte knop los. De zwarte buitenkant dient als schroevendraaier om het opstartdebiet te regelen. Dit laat toe om bij het opstarten de opstart”ontploffing” te minimaliseren.
Nadat u het dekseltje (5) losschroefde, kan het trage ontstekingsdebiet (fase waarin het ventiel opengaat) worden geregeld door de onderliggende schroef in de juiste richting + / – te draaien. U kunt daarvoor het zwarte schroefdekseltje omdraaien en gebruiken als gereedschap.
De werking van de hydraulische klep zorgt ervoor dat het nominaal werkingsdebiet progressief aan het ontstekingsdebiet wordt toegevoegd. Het werkingsdebiet kan worden geregeld door de metalen ring (6 ) in de juiste richting + / – te draaien na het lossen van de niet verzegelde schroef (7).
Kromschroder
CG15R03D2





Deze gasstraten staan op Giersch gasbrander RG1-Nb

Ps : opstartdruk : 4 mBar
Pg : werkdruk : standaard ingesteld op 10 mBar
Handleiding Riello
Verluchting
Het verstoken van brandstof vergt grote hoeveelheden verse
lucht: voor de verbranding van één liter stookolie heeft men ca. 12,5 m³ verse
lucht nodig en van gas gemiddeld 1 m³ lucht per 1650 W. De stookplaats
verluchting is dus heel erg belangrijk. Deze verluchting is niet alleen
noodzakelijk voor de verbranding, maar ook voor de afvoer van bedorven lucht.
Onvoldoende aanvoer van verse verbrandingslucht leidt onvermijdelijk tot pech
bij de werking van de brander, omdat de verbranding onvolledig is. Door een
tekort aan verbrandingslucht wordt de ruimte van de stookplaats in onderdruk
gezogen. Hierdoor kunnen hinderlijke geluiden ontstaan zoals het klepperen van
de binnendeur.
Natuurlijke verluchting
Natuurlijke luchtverversing, zonder mechanische hulpmiddelen, is uiteraard
prioritair. De verluchtingsopeningen in de stookplaats kunnen ofwel
rechtstreeks, hetzij via kanalen, in verbinding staan met de buitenlucht.
Kanalen moeten echter worden geconstrueerd met onbrandbare materialen. De
situering van de verluchtingsopeningen moet zo worden gekozen dat de stookruimte
dwars geventileerd wordt, in het bijzonder boven de stookketel(s). De
verluchtingsopeningen mogen helemaal niet afsluitbaar zijn: ze mogen niet
voorzien zijn van een handbediende of een automatische klep zodat de stookplaats
ten alle tijde voorzien is van verse lucht. Uiteraard is het wel toegelaten en
zelfs aan te bevelen beschermingsroosters aan te brengen, voorzien van een
insectengaas. Bij de keuze van de roosters moet erop attent worden gelet dat de
vrije of nuttige doorlaatopening van de roosters voldoende groot is. Verder
moeten de verluchtingsopeningen, de eventuele kanalen en de roosters gemakkelijk
zijn te reinigen. Gevelroosters moeten zodanig worden geplaatst dat verstopping
door sneeuw, dorre bladeren en dergelijke onmogelijk is.
De gehele ventilatie van de stookplaats is wettelijk bepaalt en omvat
een ‘benedenverluchting’ voor de aanvoer van verse lucht, noodzakelijk voor de
verbranding, en een ‘bovenverluchting’, noodzakelijk voor de afvoer van
verontreinigde lucht.
De stookplaats beschikt over een
hoge- en lage verluchting.
Bovenverluchting :1/3 van onderverluchting
Onderverluchting : 3 cm²/kWh met een minimum van 50 cm²
De schoorsteen heeft een nuttige hoogte "h" > 6 m
De minimale oppervlakte S van de luchtaanvoeropeningen of van de luchtaanvoer
kanalen bedraagt 1 dm² per 17,5kW van het in de stookplaats
geïnstalleerde vermogen. De doorlaat voldoet op voorwaarde dat het totaal aantal
roosters en bochtstukken van 90° in serie geplaatst niet groter is dan drie;
ieder rooster mag ten hoogste één afscherming tegen regeninslag en één
traliewerk hebben, waarvan de vrije doorlaat groter is dan 75 % van de berekende
doorlaat S.
Voor elk bijkomend rooster of bochtstuk van 90° moet de berekende doorlaat S met
10 % worden verhoogd. Indien het aantal gecumuleerde roosters en bochtstukken
meer dan S is, moet een nauwkeurige berekening worden verricht om S te bepalen.
Daarbij neemt men als basis, een drukverlies van 5 Pa in de verse luchtaanvoer,
een luchtsnelheid van ten hoogste 1 m/s en een minimaal luchtdebiet in het
kanaal van 2 m³/h per 1,16 kW in de stookplaats geïnstalleerd vermogen.
De schoorsteen heeft een nuttige hoogte "h" < 6m.
De minimale doorgangsoppervlakte S' van de openingen of van de luchtafvoerpijpen
bedraagt 1,5 dm² per 17,5 kW van het geïnstalleerde vermogen in de
stookplaats.
Er moet een van buiten rechtstreeks en lage luchttoevoer of
ventilatie worden voorzien voor de centrale verwarmingsketels (nominaal nuttig
warmtevermogen < 1.2 MW in de stookplaats) met een open verbrandingskring met
een minimale oppervlakte S van 1 dm²/17,5 kW als de schoorsteen een nuttige
hoogte heeft van meer dan 6 m.
De bovenrand van de luchttoevoermond ligt ten hoogste op ¼ van de hoogte van het
vertrek, gemeten vanaf de vloer.
Een minimale doorgangsoppervlakte S’ van 1,5 dm²/17,5 kW als de schoorsteen een nuttige hoogte heeft van minder dan 6 m.
De hoge ventilatie of verluchting moet een vrije doorlaat
hebben van tenminste ¼ (schouw hoger dan 6m) of 1/3 (schouw minder dan 6m) van
de totale doorsnede van de lage ventilatie met een minimum van 2 dm².
Andere alternatieven bestaan om de luchtaanvoer en luchtafvoer uit te voeren
De norm NBN B61-001 legt de regels vast voor de zones waarin een schoorsteen mag
uitmonden voor stookketels van meer dan 70 kW. Voor kachels en haarden geldt
dezelfde regel als leidraad.
|
|
Er
worden drie zones bepaald (zie figuur) :
|
|
Zone
1:
|
Uitmonden
van de schoorsteen is zonder meer toegestaan (liefst zonder
statische afvoerkap).
|
Zone
2:
|
Uitmonden
van de schoorsteen is af te raden. Indien niet anders mogelijk,
wordt best een statische afvoerkap geplaatst.
|
Zone
3
|
Uitmonden
van de schoorsteen is absoluut verboden.
|
Zie ook :
"We don't have much money to do this, so we are going to have to think " Lord Ernest Rutherford
Perfecte
technologie, daar komt het op aan
Versie laatst bewerkt op 10/9/2025